Clément Mantz

 

Er heerste kinkhoest in het huis waar ik geboren moest worden, mijn broer en mijn zus leden eraan.

Ik moest dus uitwijken, gelukkig samen met mijn moeder en zo werd ik geboren in de gemeente Meerssen in huize Canjel. Spoedig daarna werd ik teruggebracht in huiselijke kring. Aan het Vrijthof was dat, een Maastrichtenaar zegt altijd op het Vrijthof, maar dat is anderen moeilijk uit te leggen.

Mijn eerste herinnering gaat terug naar mijn tweede levensjaar. Ik was gevallen op de toen nog scherpe regel van de eettafel  in de woonkeuken met als gevolg een gat boven mijn linker oog; dat moest gehecht worden bij de eerste hulp in de Bouillonstraat en ik herinner mij sterk hoe ik terugkwam in die woonkeuken en mijn broer en zus trots mijn grote pleister liet zien. Op mijn derde jaar was ik al fulltime student. Ik ging met moeder en zus naar de kleuterschool. Mijn zus die twee jaar ouder was, maar een jaar had verspeeld zou haar intrede maken op de kleuterschool. Zij spartelde echter heftig tegen en ik betoverde met mijn liefste glimlach de zusters onder de Bogen. Ik mocht blijven, mijn moeder ging met mijn zusje naar huis. Het was september 1951, ik was net drie jaar.

Die gebeurtenis bleef mij achtervolgen. Tot en met de tweede HBS bleef ik de jongste en ook nog de kleinste van de klas. Ik besloot te blijven zitten. Ik maakte vervolgens de denkfout dat als je een jaar overdoet je niets hoeft uit te voeren. Ik bleef bijna weer zitten. Ik kreeg twee herexamens en in de zomer van 1964 zat ik voor het eerst in mijn leven te blokken. Ik had nooit leren leren, tot dat jaar ging alles van een leien dakje. Daarna niet meer. Dan is zo’n beetje de onbezorgde kindertijd voorbij. Want die was zorgeloos, ondanks dat 28 juli 1959 voor mijn ogen mijn broertje werd doodgereden. Een dergelijke gebeurtenis draag je altijd mee. In mijn eerste boek heb ik dit niet aangeraakt. Het moest een eigenstandig verhaal in een eigenstandige roman worden.

Deze is geschreven en vanaf nu wordt er aan geschaafd.

Ik wilde aanvankelijk geschiedenis studeren, maar dat werd mij sterk ontraden. In 1967 behaalde ik eindelijk mijn diploma HBS-A en de leraren en zij die er verstand van hadden wezen mij erop dat ik nooit een baan als leraar geschiedenis zou vinden. Dat was de grootste misvatting aller tijden, voor mij althans. Als ik gewoon mijn gevoel had gevolgd en geschiedenis was gaan studeren hadden ze mij vijf jaar later met een taxi komen halen, om aan welke school dan ook geschiedenisles te geven, zo vertelde men mij twee decennia later, maar zover zijn we nog niet. Het werd zelfs een standaard voorbeeld van de self destroying prophecy. Vervolgens opteerde ik voor de studie politieke en sociale wetenschappen in Amsterdam. Amsterdam dat zat er niet in. Roerige tijd- Provo-tijd, die waarschijnlijk mijn vader herinnerde aan de Radenrepublik in München in 1921, in de tijd dat hij daar studeerde. Bovendien was ik niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit (zie voor deze thematiek mijn boek ’ambidexter’)en zou ik geen beurs krijgen voor een universitaire studie. Kweekschool werd het. Ik had er niet veel zin in, maar het moest.

Ik heb ervan geleerd mij niet met de studie-of beroepskeuzes van mijn kinderen te bemoeien, in de wetenschap dat niemand ook ik niet de toekomst kan voorspellen.

Ik kwam dus niet in aanmerking voor een beurs en mijn studiekeuzes waren ongewenst of onverstandig. Het werd die kweekschool, waar een op een werd gedraaid, oftewel ieder die van deze katholieke school kwam had garantie op een baan. Dat wist ik niet, daar was ik ook niet mee bezig. Ik was bezig met verzet, een persoonlijke boycot tegen de kweekschool en alles wat niet intellectueel was:  muziek, schrijven, tekenen, handvaardigheid en vooral gymnastiek. Dat laatste was de grootste gruwel, de broeder, de vakdocent haalde met satanisch genoegen het klotencarillon uit oftewel de rekstok, waar je alleen als je voldoende homomasochistische neigingen had je in kon uitleven. Zo zag ik dat toen als onvolgroeide volwassene die op de HBS volledig vergeestelijk was, omdat daar gymnastiek iets was dat enkel op het rooster stond en door de oudere leerlingen individueel ingevuld kon worden. Alle andere vakken die iets met handen of geluid te maken hadden waren al vanaf de vierde klas ontroosterd. Nu zie ik in dat juist de sterkere jongens door de edele gymnastieklessen nog sterker werden en zich zelfs met machogedrag konden tooien bij het tweejaarlijkse voetbalspel en de zwempartijen op geestelijke feestdagen. Aan mij ging dat allemaal voorbij vakken als muziek en handvaardigheid. Blokfluiten belachelijk en lachwekkend. Soms bij het aanbrengen van noodzakelijke correcties zelfs gelijkenis vertonend met sexuele intimidatie. Handvaardigheid tijdverkwisting. Een hele ochtend werken met een guts; in die tijd had ik twee boeken gelezen. Collages plakken, uren stompzinnig werk in je vrije tijd. Ik liet dat anderen doen, er zijn er altijd die dat leuk vinden.  

Er is inmiddels veel veranderd. De kweekschool bestaat al lang niet meer en werd in het kader van onderwijsvernieuwing- lees mei 1968- snel geacademiseerd en pedagogische academie genoemd. Daarna kwam er niet meer door mij gevolgde ontwikkeling zoals de integratie van onderwijzers en kleuterjuffen. Dat werd de Pabo. In 1967 bestond de kweekschool uit drie leerkringen; de eerste, de tweede en de derde. De derde leerkring was vooral voor de jongens, niet dat er op onze school meisjes zaten, nee, de school was katholiek en voor meisjes had je een apart instituut.                   In een kleine stad als Maastricht kwam je zo al gauw tot drie kweekscholen, waarbij de derde openbaar was. Deze was gemengd en bood weinig kans op een baan, althans zeker niet op een katholieke school en dat waren ze in Limburg bijna allemaal. De ruige studenten, als je zo mag noemen zaten op de openbare kweekschool. Ik was dus niet ruig, ofschoon ik dacht van wel. Ik had geen andere keuze dan me maar als zodanig op mijn kweekschool te gedragen: ruig en onverschillig en vooral veel verzuim. De derde leerkring was dus voor jongens en duurde slechts één jaar.          Het was een soort fine tuning van de kwekeling die in dat derde jaar hospitant werd genoemd.         Ik onderging dat ook. De meisjes die iets met kinderen wilden, gingen of naar de school voor kleuterleidsters of naar de meisjeskweek op de Brusselseweg en als je daar de hoofdakte wilde doen (derde leerkring dus)moest je ofwel non worden of het anderszins in de bol hebben. Getrouwde katholieke vrouwen gaven sowieso geen les. Dus waarom zou je er nog één jaar bijnemen. En daar kwam mijn latere schoonzus Suzanne weer tegen in opstand. Maar dat is een ander verhaal. Ik zit nog steeds op de kweekschool, nog steeds in de eerste maand en het dreigt niets te worden, totdat…

De tweede leerkring